Tegenkomen, inhalen van en/of achterblijven bij andere schepen
Als twee schepen elkaar tegenkomen of willen inhalen, levert dat
bijna altijd de noodzaak op om de scheepsbewegingen goed op elkaar af te
stemmen. Als dat niet gebeurt, heb je namelijk op zijn minst last van elkaar en
in het ergste geval gewoon brokken! Een geladen vrachtschip - het scheepstype
dat in Frankrijk nog nét kan varen noemt men een "spits" - neemt een groot deel
van de breedte van het kanaal in beslag, en bovendien kan het door zijn diepgang
- vaak slechts CENTIMETERS minder dan de diepte van het kanaal - absoluut niet
uitwijken zonder onmiddellijk aan de grond te lopen.
Twee van dergelijke beroepsschepen moeten dan ook sowieso afstemmen wáár ze elkaar zullen passeren als ze elkaar in een kanaal tegenkomen of als het ene schip het andere voorbij wil laten. Maar ook een spits en een motorjacht kunnen vaak niet zonder meer bij elkaar langzij. Tegenkomend zal dat meestal nog wel lukken, omdat dan de tegengestelde krachten van de zuiging de schepen "van elkaar weg drukken", maar om zo'n spits in te halen zal het motorjacht volledig afhankelijk zijn van de medewerking van de schipper van de spits, die daartoe zijn schip vrijwel geheel stil zal moeten leggen. Omdat vrachtschepen hun omloopsnelheid moeten halen om rendabel te zijn, zal een schipper alléén dan meewerken als dat in de afweging van de belangen billijk en redelijk lijkt. Een paar voorbeelden kunnen verduidelijken op welke wijze de schepen elkaar kunnen helpen in plaats van dwars zitten:
Voorbeeld 1. Een jacht haalt een geladen spits in en wil daar graag voorbij omdat het anders zo gruwelijk langzaam gaat. Via de sluiswachter of de marifoon weet de watersporter de schipper van de spits duidelijk te maken wat hij graag wil, en de schipper besluit mee te werken. Hij vaart daarom in een lang "pand" (een vaarwegsegment tussen twee sluizen) wat langzamer om het jacht de gelegenheid te geven kort na hem op te schutten en hem dan zo snel mogelijk in te halen en in de volgende sluis vóór de spits op te schutten; op deze manier hebben de schepen zo weinig mogelijk last van elkaar. Zouden ze deze manoeuvre in een KORT pand doen, dan moet de spits stil gaan liggen tot het jacht hem dicht bij de eerste sluis heeft ingehaald, en vervolgens nog eens wachten omdat hij de volgende sluis bereikt als die nog bezig is het jacht op te schutten.
De inhaalmanoeuvre gaat dus het best als de volgende stappen gevolgd worden:
Door zich op de hoogte te stellen van de
scheepsbewegingen in het kanaal waarin men onderweg is, is het vrijwel altijd
goed te doen om op comfortabele wijze het verkeer te regelen. Alléén als het
ergens abnormaal druk is met binnenschepen (bijvoorbeeld als er een aantal
doorvaartroutes gestremd zijn) is het soms lastig; in dat geval kan men zich het
beste aanpassen aan de voortgangssnelheid van de geladen schepen en moet men dus
weinig haast hebben om een geplande bestemming te bereiken. Voorbeeld 2. Een jacht komt achter een geladen in
de "opvaart" (=naar boven, bergopwaarts) varende spits terecht, maar heeft geen
haast en besluit om er achter te blijven, met alle beste bedoelingen. Steeds als
de spits een sluis verlaat, zal de sluiswachter of de automatische bediening de
sluis weer laten leeglopen zodat ook het jacht kan "opschutten" (bergopwaarts
schutten). Als het jacht daarbij zó snel achter het vrachtschip de sluis invaart
en begint met het vullen van de kolk, dat de spits nog in hetzelfde sluispand
zit, dan ontstaat door dat vullen een tegenstroom in het pand, waar de spits met
zijn luttele centimeters kielspeling onvoorstelbaar veel last van heeft! In
feite komt de spits bijna volledig stil te liggen in het pand. Voor veel
watersporters is dit onvoorstelbaar, maar vraag er een beroepsschipper maar eens
naar. Als de watersporter - natuurlijk als daarvoor
gelegenheid is en NIET als er kort achter hem opnieuw vrachtschepen naderen - de
spits de gelegenheid geeft om in ieder geval een heel eind van de sluis weg te
varen voordat men met het vullen van de kolk begint - en zelfs LIEFST nog de
gelegenheid geeft om één sluis extra tussen de twee schepen te krijgen - dan
heeft het vrachtschip véél minder of geen last van dit effect en zal het - voor
allebei - sneller opschieten. Als de schepen in de "afvaart" zijn (dus
bergwafwaarts schutten) werkt het precies andersom: het voorop varende
vrachtschip zal van iedere keer dat het jacht de kolk laat leeglopen een "zetje
in de rug" krijgen en daardoor aan snelheid winnen. In die omstandigheden kan
een jacht dus rustig vlak achter een spits blijven
varen.