Afmeren als er nog (beroeps-)vaart voorbij kan komen


De spits "La Nauve" in het Canal entre Champagne et BourgogneEen schip dat zich door het water verplaatst, creëert 'zuiging'. Zuiging is een beweging in het water, die ontstaat omdat het schip een 'berg' water voor zich uit duwt, en een 'kuil' in het water trekt achter het schip. Als het water deze niveauverschillen weer wil opheffen, kan dat alléén maar door langs het schip van voor naar achter te stromen, en dus ontstaat er langs een varend schip een waterstroom van de boeg naar het hek (de achterzijde).

Als die zuiging ontstaat in breed, diep water, zal ze niet veel effect hebben. Maar in smal en ondiep water is er eigenlijk niet genoeg ruimte voor de waterstroom en dán ontstaan er effecten in het water waarmee rekening gehouden moet worden! Het zijn deze effecten, die het nodig maken medewerking van een beroepsschip te vragen als men het voorbij wil varen (zie tegenkomen, inhalen en/of achterblijven). Maar ook als men afmeert in een vaarwater, waar mogelijkerwijs nog geladen schepen langs zullen komen, moet men zich van deze effecten bewust zijn.

Als een vrachtschip langsvaart, zal men eerst een stroom in het water waarnemen in dezelfde richting als die waarin het schip vaart. Dit is het effect, dat de 'berg' water voor het schip uit heeft. Het waterniveau stijgt meestal een beetje, maar noch de stroomsterkte, noch de stijging mag een naam hebben.

Zodra het schip ter hoogte van het afgemeerde schip komt, draait de stroomrichting vrij plotseling om en wordt de stijging abrupt omgezet in een - soms aanzienlijke - daling, vaak wel van vijftien of twintig centimeter of meer. Door deze plotselinge veranderingen rukt het afgemeerde schip met grote kracht aan de meertouwen, en als deze niet goed bevestigd zijn - bijvoorbeeld als er pennen in zachte grond zijn gebruikt - zullen ze losgerukt worden. Om deze reden moet het afmeren aan sterke afmeervoorzieningen (bolders, ringen, palen of bomen) aangeraden worden in zulke omstandigheden, en ook is het gebruik van te dunne meertouwen of trossen af te raden.

Als het schip eenmaal (grotendeels) voorbij het afgemeerde schip is, draait de stroom opnieuw om en stijgt het water weer tot min of meer het oorspronkelijke peil. Daarbij zijn de krachten weer wat zwakker dan tijdens het voorbijvaren. Als het voorbijvarende schip echter te hard vaart, zal het terugstromende water in de vorm van een ware golf op komen zetten, en dan kan ook de terugstroom aanzienlijk zijn. Het is om die reden dat de meeste geladen schepen keurig vaart minderen als ze een afgemeerd scheepje voorbij varen.

Het effect van de waterstandsdaling en -stijging kan aanzienlijk zijn, niet alleen in het kanaal zelf, maar ook als men bijvoorbeeld is afgemeerd in korte zij-armen, in insteekhavens of in de monding van een nevenvaarwater. Omdat een voorbijvarend schip dan soms niet kan zien dat er in het nevenwater iets afgemeerd ligt en het daardoor dus aanzienlijk sneller voorbij zal varen, ziet men soms hoe zo'n nevenwater bijna lijkt te worden "leeggetrokken" door de zuiging: het water daalt zeer plotseling, en de arm stroomt ook even plotseling weer vol. Het spreekt vanzelf, dat men voor het aanmeren in zo'n zijarm dezelfde voorzorgsmaatregel moet nemen als wanneer men in het hoofdvaarwater zou liggen.

Soms zoeken jachten "een goed heenkomen" (als ze een beroepsschip zien aankomen en bang zijn om dit schip varenderwijs te kruisen of voorbij te laten varen) door het tegen de kant te trekken en met twee meertouwen los in de hand vast te houden. Men ziet dit vooral de "schippers" van gehuurde jachten doen. Het zal duidelijk zijn, dat de zuiging van het langsvarende schip het bijna onmogelijk zal maken de meertouwen in de hand te houden, en men ziet dan ook vaak mensen diep met de hakken in het zand vergeefse pogingen doen om te voorkomen dat hun scheepje wegdrijft. Het komische is, dat door de volgende waterbeweging het scheepje weer op vrijwel precies dezelfde plaats wordt neergelegd dan waar het oorspronkelijk lag.... De risiko's van brandblaren in de handen of zelfs van mensen die in het water worden getrokken zijn echter niet denkbeeldig. In werkelijkheid gaat er bij een zo langzaam voorbijvarend schip meestel niets mis als men de lijnen gewoon laat vieren en wacht tot de golf het scheepje weer terugduwd naar zijn oorspronkelijke plaats.

In Nederland is het afmeren aan bomen (én alle andere, niet daartoe bestemde zaken) streng verboden. In Frankrijk wellicht óók, maar daar is het toch de gewoonste zaak van de wereld. Uitzondering zijn wel alle situaties, waarin de meertouwen over een pad, weg of privé erf lopen! Span dus NOOIT touwen naar bomen waarvoor men het jaagpad moet kruisen, zoek dan liever een mogelijkheid om een ijzeren haak (er moeten er daarvan ALTIJD een paar aan boord zijn!) aan een damwand, verkeersbord, electriciteitsmast of een andere constructie te bevestigen en daaraan vast te knopen.